De moed van Willy Yardaz

Danser, choreograaf en dansleraar Willy Yardaz maakt in 1927 een opmerkelijke en gedurfde carrièreswitch. Hij wordt revueproducent. Hij pakt het meteen groots aan. De oorlog tussen de revue producenten Bouwmeester en Ter Hall woedt op zijn hevigst, als Yardaz een graantje van het succes wil meepikken. Met zijn eerste revue ‘Hallo Parijs’ worden kosten noch moeite gespaard om indruk te maken op het publiek. En op de concurrenten. 

De scene Fata Morgana uit Hallo Parijs! Foto Godfried de Groot/Collectie TheaterSentiment

Dansleraar produceert spraakmakende revue

Na een flitsende start wordt deze productie echter geteisterd door fikse problemen, zoals een hooglopend conflict tussen de hoofdrolspelers Louis Davids en Louisette. Maar, zo zal straks blijken, blijven er genoeg redenen over waarom deze voorstelling een plek verdient in de geschiedenis van het theater en de kleinkunst.

Het is een gewaagde onderneming die Willy Yardaz (naast mede-producent ook regisseur en artistiek leider) en Frits Stapper (zakelijk leider) aangaan. Beiden zijn nieuwelingen in de wereld van de revue, die al jarenlang wordt gedomineerd door Louis Bouwmeester jr en Henri Ter Hall. Twee revuekoningen die elkaar tot op het bot beconcurreren met protserige en meeslepende voorstellingen. Terwijl Yardaz en Stapper hun première voorbereiden, pronkt Ter Hall met zijn grote ster Buziau in ‘Revue 1927’. Bouwmeester doet er ondertussen qua grootsheid niet voor onder met de voorstelling ‘Nou nog mooier’.

Een revue met internationale allure

De Avondpost

‘Hallo Parijs’ met zijn elegante en moderne aankleding is vooral het geesteskind van Willy Yardaz. Hij is als Willem Anton Bosboom op 5 augustus 1892 geboren in Hoorn als zoon van een majoor in het leger. Met zijn eerste vrouw Geziena Pieters verwerft hij vanaf 1917 bekendheid als het hippe danspaar Maud en Willy Yardaz. Geziena, zij is de zus van actrice Mimi Boesnach, scheidt in 1926 van Bosboom en daarmee komt een einde aan dit duo. Voor Willy Yardaz ligt de weg open voor een nieuw avontuur.

Yardaz en Stapper bundelen hun krachten en weten een uitstekende cast te strikken voor deze revue. De namen van ervaren spelers als Henriëtte Blazer, Tilly van der Does, Alex Hock en Daan van Ollefen prijken op de affiches. Kapelmeester is Hakkie Davids en de teksten worden geleverd door onder meer Rido, Louis Davids en eerder genoemde Daan van Ollefen. De muziek wordt verzorgd door ervaren rotten als Max Tak en Armand Haagman. Dat kan dus niet anders dan een kwaliteit opleveren.

Dan hebben we het niet eens over de hoofdrolspelers gehad die Yardaz en Stapper weten te contracteren. De naam Louisette zal een echte publiekstrekker zijn. De vedette is de echtgenote van mede-componist Armand Haagman en staat bekend als de Nederlandse Mistinguette. Ze zal het podium delen met niemand minder dan Louis Davids, die na een kort en minder succesvolle uitstap naar het toneel terugkeert naar de revue.

Met prachtige kostuums, ontworpen in Parijs en vervaardigd in Berlijn, decors van de firma Doesburg in Amsterdam en de twee getalenteerde dansgroepen uit het buitenland, de Big Ben Girls en The Delmae Sisters, start deze onderneming onder een gelukkig gesternte. 

De première heeft plaats op 2 juli 1927 in het Scala Theater in Den Haag. De recensies zijn lovend. Het Vaderland schrijft bijvoorbeeld: ‘We willen niet gaan vergelijken welke revue mooier is: die van Ter Hall, Bouwmeester of Yardaz. Het is al merkwaardig genoeg dat drie zulke verbluffende heksentoeren ons in één stad worden aangeboden. De Yardaz Revue mag zich gerust naast de twee oudere zetelen. Het is een feest van kleur, licht en geluid. Een feest dat bijna teveel is, te exuberant, te omvangrijk. Geprezen moet ook worden dat door Louis Davids de leidende rol te geven, we geen imitaties van Buziau krijgen’.

De Haagsche Courant schrijft: ‘Van deze revue gaat een heel bijzondere, heel eigen bekoring uit. Men neemt zich voor haar spoedig voor een tweede maal te zien’. En De Avondpost prijst de internationale allure van de voorstelling: ‘Schitterend, zowel letterlijk als figuurlijk. Een revue de Follies de Bergeres of het Casino de Paris waardig. Kortom, een revue die het zal doen. En met reden, zij kan met de Parijse revues wedijveren’.

Dat moet koren op de molen zijn geweest van Willy Yardaz, die met deze bonte show daadwerkelijk internationale allure wil toevoegen aan het Nederlandse theater. Het prachtig vormgegeven revueboek van ‘Hallo Parijs’ – het programmaboekje dus –  schreeuwt deze ambitie uit. Met foto’s van de jonge, opkomende Godfried de Groot en de kleurrijke tekeningen van de kostuums, doet het allemaal heel erg modern aan.

De scènes nemen ons mee op een grenzeloze reis. Het begint met een opening met de nodige zelfspot, waarbij het publiek op de hak wordt genomen, omdat het ‘de Nederlandse kunst niet meer lust’ en de ogen vooral richt op het buitenland. Vervolgens worden de toeschouwers oogstrelende taferelen voorgeschoteld met scènes als Chinaland, de Olympiade, de Zonnescène en de Fata Morgana. Tussendoor neemt Daan van Ollefen de bekende acteur Eduard Verkade op de korrel, doet Louisette hetzelfde met Mistinguette en brengt Alex Hoek een parodie op Cyrano de Bergerac. De Slotscène heet de Auto Finale en geldt tevens als een soort artistieke reclamespot voor Ford, de hoofdsponsor van de voorstelling.

Cover Revueboek
De iconische cover van het programmaboek Hallo Parijs! Collectie TheaterSentiment
Willy Yardaz
Danser en producent Willy Yardaz. Stadsarchief Amsterdam/Merkelbach

Een van de recensenten merkt op: ‘Hallo Parijs’ is, naast alle overdaad van kostuums en groepen, dubbel te waarderen om het scherpe en het geestige in de prologen. Waarmee we teruggekeerd zijn tot de goeden tijd, dat de revue niet alleen een kijkspel was, maar ook een gelegenheid om de dingen van de dag eens fijntjes bij hun naam te noemen. Laten we afspreken, dat dat aan Louis Davids uitstekend is toevertrouwd en dat hij zo langs z’n neus weg-rake opmerkingen kan maken.’

De uitbundige scènes worden dus, anders dan in de meeste andere revues in de extravagante jaren twintig, afgewisseld met monologen van de hoofdrolspelers. Waarbij vooral Davids vernuftig inhaakt op de actualiteit en de plek waar de revue op dat moment staat. Zo weet hij tijdens de voorstellingen in het Flora Theater handig het Amsterdamse publiek in te pakken met allerlei plaatselijke grappen. 

Daarnaast leren we Davids in deze voorstelling voor het eerst kennen in een rol, waarmee hij de jaren daarna voorgoed een stempel drukt op het Nederlandse cabaret. Met liedjes als ‘Ome Ko heeft radio’ en ‘We gaan Kampeeren’ (in een scène met Louisette) is Davids voor het eerst zoals we hem het liefste herinneren: de beschouwer die van een afstand met vlijmscherpe humor volkse tafereeltjes beschrijft.

Teksten die niet geschreven zijn door Davids zelf, zoals het programmaboekje van ‘Hallo Parijs’ ons doet geloven, maar door een jonge schrijver die naamloos achter de schermen een belangrijke rol speelt in deze revue. Met ‘Hallo Parijs’ wordt een begin gemaakt met de samenwerking tussen Davids en zijn lijfschrijver Jacques van Tol. Deze jonge, Aalsmeerse journalist van net dertig jaar heeft Davids leren kennen op de artiestenbeurs op het Rembrandtplein, waar hij net als zovele andere concurrenten langs de tafels struint op zoek naar werk. 

De jaren na ‘Hallo Parijs’ zal de Aalsmeerder de man zijn die Davids loopbaan nieuwe fase in laat gaan. Bovendien maakt Van Tol achter de schermen kennis met een jonge acteur, die in deze revue debuteert: Willy Walden. Ook zijn leven zal op een bijzondere manier vervlochten blijven met tekstschrijver Van Tol.

Dat alles begint dus bij het avontuur van Yardaz. Die twee maanden in Scala in Den Haag aan een soortgelijk rondje begint als de andere grote revues. Eerst naar Rotterdam (Casino Theater, vanaf 1 september), daarna naar Amsterdam (Flora Theater, vanaf 1 november), om vervolgens vanaf januari 1928 de provincie door te trekken, om in maart terug te keren naar het Scala.

Maar in 1928 is Willy Yardaz al afgehaakt en wordt alleen Frits Stapper nog aangeduid als leider van ‘de troupe’. Want ondanks de mooie recensies, de klaterende advertenties waarin gesproken wordt van grote successen en volle zalen, heeft ‘Hallo Parijs’ te kampen met de nodige problemen. In tegenstelling tot Ter Hall en Bouwmeester trekt deze voorstelling niet overal volle zalen, hoezeer het ze ook gegund wordt door de recensenten. En ondanks bekende marketingtrucs als huldigingen en benefietacties.

Erger nog is dat de voorstelling van binnenuit wordt ‘uitgehold’. Scènes, zoals parodieën op een Hoop van Zegen en op Multatuli, moeten worden vervangen omdat een deel van het publiek er aanstoot aan neemt. Het grootste probleem is echter het conflict tussen de twee hoofdrolspelers Louis Davids en Louisette. Ze gunnen elkaar het licht in de ogen niet en op een gegeven moment weigeren ze zelfs met elkaar op het toneel te staan. Het levert de familie Davids een levenslange ban op van vedette Louisette.

De exacte aanleiding blijft onbekend, maar het is helaas niet ongewoon in de wereld van de revue. Ook Buziau en andere sterren botsen regelmatig met hun mede-hoofdrolspelers. Het levert de producenten slapeloze nachten op en het zal ertoe leiden dat volgens chroniqueur Dries Krijn (hij schreef het standaardwerk ‘Bonte pracht en vederdracht’ over de geschiedenis van de revue) dat het genre uiteindelijk zal uitgroeien tot een veredelde one-man-show met maar één ster op de affiche. Met het duo Snip en Snap als mooie uitzondering op de regel.

Een ijkpunt in de geschiedenis van de revue

Als Frits Stapper vanaf januari 1928 alleen verder trekt met ‘Hallo Parijs’, is Willy Yardaz al begonnen met de voorbereidingen voor een nieuwe show. Met de iets minder ambitieuze titel ‘Hallo Holland’. Tekstschrijver is Jacques van Tol. Niet meer anoniem, maar met zijn naam op de affiches en in de advertenties. Frits Stapper geeft ook niet op. Hij zal die zomer de revue ‘Europa lacht weer’ in première laten gaan, met in hoofdrol Louis Davids, maar zonder Louisette.

Het avontuur ‘De Yardaz Operette: Hallo Parijs’ komt hiermee ten einde. Ondanks de veelbelovende start, gaat deze voorstelling zakelijk en artistiek gezien haast roemloos ten onder. Toch is en blijft ze in menig opzicht een bijzonder ijkpunt in de Nederlandse theatergeschiedenis. Om meerdere redenen. Niet alleen vanwege de iconische cover van de programma- en tekstboekjes, ontworpen door Wim van de Poll. De afbeelding van het Charleston meisje is nadien nog vele malen hergebruikt.

We mogen vooral niet vergeten dat dankzij de moed van Willy Yardaz en Frits Stapper de weg is bereid voor een nieuwe generatie. Jacques van Tol, die als tekstschrijver een belangrijke rol zal spelen in de geschiedenis van de Nederlandse kleinkunst, krijgt zijn eerste grote kans. En we zien het debuut van Willy Walden, die tien jaar later aan een decennialange zegetocht zal beginnen met ‘De Snip en Snap Revue’ van René Sleeswijk. Samen met zijn aangever Piet Muijselaar. En ook hier is Jacques van Tol de schepper en vaste tekstschrijver.

Daarmee is de Yardaz Revue een bijzondere voorstelling geworden, die in 1927 de deur opent voor een nieuwe toekomst voor de Nederlandse kleinkunst en de revue.

Revueboek Hallo Parijs!

Klik en blader door het befaamde en prachtig vormgegeven revueboek (programmaboekje) van Hallo Parijs! Collectie TheaterSentiment

Bronnen: Collectie TheaterSentiment/ Bonte pracht en vederdracht – Dries Krijn/ Theater Instituut Nederland/ Honderd jaar Carré – Peekel/Meerlo/Santing / Delpher

Start typing and press Enter to search