Seks, drank en foxtrot

Is Louis Davids echt zo’n populaire artiest geweest? Wie is de Marco Borsato van de jaren twintig en dertig? Klaas Piet Peereboom maakt er zijn levenstaak van om dat uit te zoeken. Hij is al ruim twee jaar bezig om met terugwerkende kracht maandelijkse hitlijsten samen te stellen voor de periode 1900-1946. Een enorme klus die nog geruime tijd in beslag gaat nemen.

Het is onderdeel van een project waarbij meerdere mensen betrokken zijn. Zo heeft Wim van de Velde zich op de periode na de oorlog gestort en verzorgt Joost Augusteijn met zijn achtergrondkennis de bevindingen van de nodige feedback. Er wordt regelmatig overlegd. ‘Joost levert ook heel veel bronnen aan. Boeken en de gedigitaliseerde jaargangen van Tuney Tunes’, vertelt Klaas Piet. Een andere belangrijke kenner is Rinus Blijleven, verzamelaar van 78-toerenplaten en bladmuziek. 

Met de komst van de officiële Top 40 is er licht gekomen in de duisternis, als het gaat om populariteit en verkoopcijfers. Voor die tijd zijn er geen betrouwbare hitlijsten en blijft het schimmig. Een periode die deskundigen ‘de prehistorie’ noemen. Er zijn weliswaar verschillende kleine lijsten en populariteitspolls, maar allemaal met een andere en niet altijd betrouwbare invalshoek. Voor 1950 wordt het nog onduidelijker.  

Het onderzoeken en vergelijken van verschillende bronnen moet meer inzicht geven in welke artiesten, liedjes het populairst waren in die ‘donkere jaren’. ‘Alle bronnen worden gecombineerd en gewogen, zoals bladmuziek, zangboekjes, radio uitzendingen, platenverkoop, recensies, bioscoopsuccessen etcetera’, laat Joost Augusteijn weten. ‘Geen eendimensionale aanpak, maar een zeer afgewogen samenstelling. Een spannende ontdekkingsreis.’

Nu het onderzoek naar de periode 1946-1964 door Wim van de Velde grotendeels is afgerond en gepubliceerd, wordt alle energie gestoken in de vooroorlogse jaren. Een meerjarenproject waar vooral Klaas Piet Peereboom druk mee is. Het uitzoekwerk is een ware passie voor deze vrolijke Fries. We spreken hem in zijn huis, waar hij zich omringd heeft met oude boeken en tijdschriften.

De grote vraag die dit project oproept is: waarom zou je dit in hemelsnaam willen doen? ‘Een stuk Nederlandse historie vastleggen’, zegt Klaas Piet. ‘Ik ben gek op muziek en geschiedenis. Dat is mijn drijfveer. Wat is nou populair in die tijd? Is die Louis Davids nou echt zo groot? Wie is de Marco Borsato van de vooroorlogse jaren? Vaak zegt een lied ook iets over een specifieke tijd, dat vind ik erg interessant.’

De reconstructie van oude hitlijsten is een klus van vele jaren

Willy Derby is de Marco Borsato van het interbellum. Klaas Piet beantwoordt de vraag heel stellig. ‘Dat is ie echt. Die man is zo enorm geliefd. Ik maak wel eens de grap, dat het mede komt doordat ie net als Marco ook een vreemdganger is. Het verhaal gaat, dat hij in de armen van zijn geliefde is gestorven, maar zij ontkent dat vervolgens stellig. Ze zou het al een week eerder hebben uitgemaakt. Dat is natuurlijk smeuïg he.’

En gaan de platen van Louis Davids als warme broodjes over de toonbank? ‘Niet doorlopend, bij Davids gaat het in golven, net als zijn carrière’, weet Klaas Piet. ‘Begin twintigste eeuw scoort hij al grote hits met bijvoorbeeld ‘Reisje langs de Rijn’ in 1907. In de tijd dat hij samenwerkt met zijn geliefde Margie Morris loopt het qua platenverkoop echt goed. Zoals in 1921 met ‘Wordt nooit verliefd.’ Daarna is het weer iets minder, maar met ‘De Kleine Man’ heeft hij in 1930 echt een tophit te pakken.’

‘Na 1935 zakt het in, als zijn gezondheid verslechtert en er vrijwel geen platen meer gemaakt worden’, aldus Klaas Piet. ‘Hij sterft in 1939, maar in de oorlog neemt zijn populariteit enorm toe. Hij wordt veel gedraaid door Radio Oranje vanuit Londen. Ook na de oorlog blijft Davids groot.’

Mede door Louis Davids is Klaas Piet aan deze klus begonnen. ‘In een oude ‘Hit Dossier’ kom ik op een gegeven moment onder zijn naam ‘Klap eens in je handjes’ tegen. Dat heeft hij geschreven op zijn sterfbed, een interessant lied waarin hij refereert aan de naderende oorlog. Maar hij heeft het zelf nooit op kunnen nemen, zijn zus Heintje wel. Toch staat het in dat soort boeken, met zijn naam als uitvoerende. Dat moet beter kunnen, dacht ik.’

Klaas Piet gebruikt ruim dertig verschillende soorten bronnen. ‘Ik probeer te werken met wat ik noem verschillende ‘populariteitsindicatoren’, legt hij uit. ‘Ik kijk allereerst naar de verkoopcijfers, ik zoek daarnaast naar verschillende hitlijstjes die er af en toe al waren. Ik heb er zelfs eentje gevonden uit 1896.’

Dat is nog niet alles. ‘Ik gebruik kranten en radiogidsen die ik via Delpher raadpleeg. En platencatalogi uit die tijd. Verder krijg ik bronnen via derden, retrospectieve bronnen als boeken bijvoorbeeld. Een belangrijke bron is ‘De Weergever’, de club van verzamelaars van grammofoonplaten. Ik ga vaak bij verzamelaars als Rinus Blijleven langs om een en ander op te vragen. Via hem heb ik de beschikking over een andere interessante bron. Een architect met de naam Weber uit Amsterdam, heeft ooit de meest populaire liedjes op een rij gezet. Vanuit een sociologisch onderzoek samenwerking met de Universiteit van Utrecht.’

Ook belangrijk is de bladmuziek. ‘Daar zijn soms oplagecijfers van gepubliceerd in oude kranten en tijdschriften. Als er een bepaalde hoeveelheid is bereikt, ik geloof 25.000, geven sommige uitgevers hun bladmuziek een gouden randje. Dat is voor mij een redelijk betrouwbare bron. Wat wel goed is om te weten is dat bladmuziek niet altijd leidt tot een grammofoonplaat.

Er zijn liedjes van Davids bijvoorbeeld die enorm goed scoren als bladmuziek, maar waarvan geen opnamen bekend zijn.’

De zoektocht heeft diverse nieuwe inzichten opgeleverd. ‘Je verwacht dat bepaalde nummers in die tijd heel lang in je hitparade blijven staan. Dat gebeurt ook wel, maar je ziet daarnaast ook hypes. Die snel opkomen en aflopen. In november 1930 was de jojo een hype, in die tijd een gewoon kantklosje met een touwtje. Daar hoorde een liedje bij, dat enorm populair werd, maar na zes maanden volledig verdwijnt. Dat vind ik grappig om te ontdekken.’

De muziekbeleving blijft in essentie altijd hetzelfde

Klaas Piet Peereboom

De muziekbeleving is op veel vlakken anders te noemen, maar aan de andere kant verandert er in de decennia daarna minder dan je zou verwachten. ‘Laten we 1930 als voorbeeld nemen. De revues zijn populair, net als liedjes uit films. Tegenwoordig praten we over sex, drugs en rock and roll. In die tijd is het seks (Ich bin von kopf bis fuss ), drank (Stein Song) en foxtrot (Happy days are here again). Het is een net iets andere insteek, maar in essentie blijft het allemaal hetzelfde.’

Klaas Piet begint zijn zoektocht in 1900. De tijd van de wasrollen. De platen beginnen dan aan een langzame, maar gestage opmars, tot rond 1908 de wasrollen definitief verdreven zijn. De allereerste hit die Klaas Piet ontdekt is van Maurits Stibbe, met zijn plaatje ‘Voor Nederland en de Koloniën’. Dat is wel een lastige hoor. Platen worden nog matig verkocht, een moeilijke periode om uit te zoeken. Ook daarna vallen er nog volop gaten.’

Klaas Piet Peereboom reconstrueert de hitlijsten van voor 1946. Foto TheaterSentiment

In 1910 is Albert Bol heel populair, weet Klaas Piet. Met een plaat over luchtvaartpionier Jan Olieslager. ‘Hup daar gaat ie weer de lucht in’. Dat liedje werd veel gespeeld op luchtvaartdemonstraties in die tijd, wat een enorme noviteit was. ‘Met dit soort dingen maak je echt een reis door de geschiedenis. Muziek loopt vaak gelijke tred met maatschappelijke ontwikkelingen.’

Wat Klaas Piet verder is opgevallen, zijn de verschillende golven, zoals hij het noemt.  ‘Dan is Duitse muziek weer populair, dan weer de Engelstalige. Midden jaren dertig is het devies ‘Koop Nederlandse waar, dan helpen we mekaar’. Dat leidt tot een betere verkoop van Nederlandse platen. Het wordt ook sentimenteler in die jaren, valt me op. Waar dat aan ligt? Misschien de dreiging van de oorlog. Tijdens de bezetting verlangen we natuurlijk vooral naar verre oorden als Hawaii. De Kilima Hawaiians zijn dan een ongelooflijke populaire groep.’

Muziek als uitlaatklep voor de jeugd lijkt ook van alle tijden te zijn. In de vooroorlogse jaren is er al sprake van een jongerencultuur. ‘Je krijgt op een gegeven moment de hot jazz in de jaren dertig, wat echt iets van jongeren was. Een goed voorbeeld, maar eigenlijk zie je dat in alle periodes wel terug, muziek die vooral geliefd is bij de jeugd. En ouderen die zich ertegen af te zetten. Zij neigen dan sterk naar de klassieke muziek, maar jongeren willen vooral dansen. Je ziet het veel terug in oude publicaties over muziek die geliefd is bij de jeugd. Steevast kijken de ouderen erop neer. ‘Wacht maar tot ze ouder worden, dan worden ze wijzer’, wordt er dan letterlijk gezegd. Ook dat is van alle tijden.’

De algemene veronderstelling dat de jeugdcultuur in de jaren vijftig en zestig is ontstaan, is dus eigenlijk achterhaald. ‘Ik vraag me wel eens af, stel dat die oorlog er niet was geweest. Wellicht was die hele popcultuur dan eerder op gang gekomen? Eigenlijk begint die al in de jaren dertig, maar door de oorlog wordt ze in de kiem gesmoord. Tijdens de mobilisatie zijn de soldatenliedjes populair en liedjes met als thema ‘Houd er de moed maar in’.

Bekende exponenten van de nieuwe jongerencultuur zijn natuurlijk Johnny en Jones. Een populair hot jazzduo dat in 1938 en 1939 immens populair is. De evergreen ‘Mijnheer Dinges weet niet wat swing is’ wordt hun eerste hit.

‘Ze verkopen in die jaren inderdaad goed’, zegt Klaas Piet. ‘Al heb ik wel het gevoel dat dat met name in het westen van het land is. Het waren natuurlijk echte Amsterdamse jongens. Hun namen kom je vooral in Noord-Hollandse kranten tegen.’

Naarmate de oorlogsjaren grimmiger worden, komt de hele muziekindustrie op zijn kop te staan. Joodse artiesten worden vermoord, dansen is verboden. ‘Aan het einde van de oorlog is de platenverkoop volledig ingestort. Er is niks meer over, helemaal weg. En na de bevrijding kun je lange tijd geen platen meer kopen. We zijn weer terug bij af, zo lijkt het wel, terug in 1900. Als er al iets te koop is, moet je je oude platen inwisselen, omdat er gebrek is aan schellak. Dat geldt overigens alleen voor de populaire muziek, klassieke muziek is daarvan gevrijwaard. Dat duurt wel tot 1948, dan pas komt de platenverkoop weer op gang. Eerst alleen Decca, vanaf 1950 komen er andere platenmaatschappijen op.’

In het dagelijks leven is Klaas Piet werkzaam als projectleider in de ICT. Hij heeft dus veel ervaring als het gaat om ‘big data’. ‘Je moet ook wel een datafreak zijn om dit te kunnen en willen doen’, zegt hij. ‘Er gaat veel vrije tijd in zitten. Als je het goed wil doen moet je een lied echt door de mangel halen. Per nummer ben ik toch al gauw een hele avond bezig.’

De klus is voorlopig niet geklaard. Hij verwacht nog vele jaren bezig te zijn. ‘Maar ik denk dat we rond 2025 al iets leuks hebben om te laten zien.’ Dat moet leiden tot een mooi boek, een naslagwerk met de bevindingen van Wim van de Velde, Joost Augusteijn en Klaas Piet. ‘Een website is ook mogelijk, het mooie is dat je je publiek dan kan betrekken bij je zoektocht.’ De resultaten van Wim van de Velde zijn inmiddels al online gepubliceerd.

De vraag is of het eigenlijk ooit afkomt. Of het vuur ooit dooft. Want als de jaren 1900 -1964 volledig zijn ontsloten, dan zijn er nog de jaren daarvoor. ‘Daar heb je gelijk in. Die neiging heb ik nu al hoor, al wordt het wel steeds lastiger. Je hebt voor 1900 alleen wasrollen en daarvoor alleen bladmuziek. Dan ga je echt de diepte in. Maar ik vrees dat het klopt, die honger houdt nooit op’, realiseert hij zich. ‘Ik moet eigenlijk 150 worden.’

Dit interview is ook te beluisteren als podcast
Ook te beluisteren via TheaterSentiment op Apple Podcast

Start typing and press Enter to search