Naar Berlijn en terug

Op vrijdag 9 december 1932 rijdt de D-trein uit Berlijn het Rotterdamse station binnen. Het is vijf voor acht in de avond. De man die uitstapt kijkt op de klok, hij heeft nog een kwartier. Even verderop wordt in de Tivoli Schouwburg het bordje ‘uitverkocht’ aan de deur gehangen. De reiziger rent ondertussen richting het theater. Hij moet op tijd komen, want Fritz Hirsch is een man van zijn woord. 

Tien over acht staat Fritz Hirsch naast zijn medespelers op de bühne, in de voorstelling ‘Blume von Hawaii’. Het publiek ontvangt hem met een ovatie. Na zeven maanden in Berlijn is de operettekoning terug in Nederland. Zoals hij beloofd had. Velen twijfelden eraan of hij ooit nog voet op Nederlandse bodem zou zetten, maar vanavond levert Hirsch het levende bewijs dat hij zijn belofte nakomt.

De Duitse acteur, theaterdirecteur en regisseur Fritz Hirsch is geliefd in Nederland. Samen met impresario Hugo Helm leidt hij sinds 1926 een beroemd operettegezelschap dat zijn naam draagt en de Princesse Schouwburg in Den Haag als thuisbasis heeft. Van daaruit reist het gezelschap steevast met zijn voorstellingen langs de andere grote steden en door de provincie.

De operettes van Hirsch zijn populair. Mooie melodieën, spelers in bonte kostuums en dat alles in een romantische verhaallijn gegoten. Hirsch is een alleskunner. Hij is mede-directeur van het gezelschap en het theater, bewerkt de stukken, is de regisseur en speelt altijd mee. Hirsch is een meester in het bedenken van vernuftige decorwisselingen. Met dit alles heeft hij de harten van het Nederlandse publiek veroverd. 

Interview

Toch keert hij in de lente van 1932 terug naar Berlijn, om met zijn zakenpartner Hugo Helm directeur te worden van het beroemde Schiller Theater. Mist hij het theaterleven daar? Is hij het Nederlandse publiek zat?

We zoeken Fritz na de voorstelling op. Hij zit in zijn kleedkamer, vermoeid. Hij heeft tot diep in de nacht vergaderd in Berlijn, daarna de trein gepakt naar Holland en direct het podium op om een voorstelling te spelen. Niettemin maakt hij tijd voor een interview. Buiten de kleedkamer heerst een uitgelaten bedrijvigheid, de ontlading van een spannende avond. Hirsch sluit de deur en begint te vertellen.

Fritz Hirsch (tweede van links) en zijn gezelschap tijdens de huldiging van Paul Harden in 1935. Nationaal Archief

‘We zijn als gezelschap met de jaren gegroeid, onze decors zijn verfijnder geworden, het samenspel verbeterd, het niveau van ons orkest is verhoogd, maar het Nederlandse publiek wordt steeds veeleisender’, vertelt hij. ‘Als we in première gaan, vermindert de toeloop al na twee weken. Dan moeten we gaan trekken: langs de steden, de provincie in. En tegelijkertijd moet er een begin worden gemaakt met het volgende stuk. Eerst omwerken thuis, bedenken van de decors, de changementen op het kleine toneel van de Princesse Schouwburg goed laten verlopen en zorgen dat ermee gereisd kan worden. Dan de repetities.’

Het is dus hard werken om in dit land een gezelschap op de been te houden. ‘Het Nederlandse publiek is prettig om voor te werken, maar omdat men veel reist, leest en ziet is men zeer kritisch’, gaat hij verder. Het is reusachtig moeilijk om stand te houden tegenover zo’n publiek.’ 

Dichtbij de bron

Dan krijgen Hirsch en Helm begin 1932 de kans om voor drie jaar lang directie te voeren over het Schiller Theater in Berlijn. Het idee om terug te keren spreekt Hirsch erg aan, naar het walhalla van de Europese cultuur en de plek waar hij als acteur en operettespeler het vak leerde. Hij zit daar dicht bij de bron, dus het werken wordt eindelijk wat makkelijker. ‘Men kan gemakkelijker overleg plegen met componist en librettist, die veelal in Berlijn wonen. Ik behoef niet alles zelf meer te doen. Men komt dan goed ingespeeld en ingewerkt naar Holland voor de wintermaanden.’ 

Het idee is namelijk dat Hirsch en Helm de ene helft van het jaar naar Berlijn vertrekken, maar in de wintermaanden met hun gezelschap terugkeren naar Nederland. Ze blijven dan ook eigenaar van de Princesse Schouwburg. Het nieuws lekt al snel uit. ‘Ik zal Holland missen, maar het is beter zo. Zo blijven we fris voor elkaar’, heeft Hirsch gezegd. Niet iedereen gelooft dat hij woord zal houden. Eenmaal in Berlijn zal hij Holland spoedig vergeten, maar vanavond is gebleken dat ze ongelijk hebben gehad.

Ondanks de jaren van ploeteren in Nederland zal het vanavond misschien wel gevoeld hebben als terugkeren in een warm bad. ‘Kern kehrten wir zurück, wo wir fröhlich spielten’, roept hij voordat hij afgaat. Hirsch en Helm hebben het immers niet makkelijk in Berlijn. Van begin af aan blijkt dat niet iedereen op de beide heren zit te wachten. Keer op keer wordt hun benoeming uitgesteld, het wordt een kwestie die breed uitgemeten wordt in de Duitse en Nederlandse pers en zelfs de politiek bemoeit zich ermee.

Begin 1932 voelt de kans die hij krijgt in Berlijn nog als een droom. ‘Ik mag graag in het Schillertheater komen’, vertelt hij. ‘Toen ik voor 1925 nog in Duitsland actief was, mocht ik zo nu en dan wel eens een stuk regisseren. En als dat gebeurde, was ik er altijd op uit om van mijn werk iets aparts, iets eigens te maken. Toen bedacht ik me al hoe mooi het zou zijn om iets te vertellen te hebben in Berlijn. Wat zou er dan wat te bereiken zijn.’

Dan breekt het gedonder uit. Binnen de Berlijnse toneelkringen roert men zich. De plannen van Hirsch en Helm vallen er niet in goede aarde. Schiller staat bekend als een gerenommeerd theater, waar grote toneelacteurs schitteren in belangrijke toneelstukken, al zij het voor halflege zalen. Tegenover dit zogenaamde ‘Berlijnse sterrensysteem’ willen de toekomstige directeuren het ‘ensemble-systeem’ zetten. Om het noodlijdende theater te redden, zal een deel van het jaar toneel plaats moeten maken voor operette, vanuit het gezelschap van Hirsch en Helm. 

Dat moet weer publiek gaan trekken. Het plan is dat als het operettegezelschap eenmaal warm gedraaid is, in de wintermaanden naar Holland terugkeert, zodat de bühne in het Schiller Theater weer vrijkomt voor het serieuzere werk. Het klinkt als een mooi compromis, maar het is volledig tegen het zere been van vele acteurs en toneelgezelschappen. Operette zien zij als de teloorgang van het beroemde theater. Ook de Duitse auteurs Ludwig Fulda en Fedor van Zobeltitz, die zitting hebben in de Raad van Commissarissen van het Schiller Theater, keren zich openlijk tegen de benoeming van Fritz Hirsch.

Ondanks het voorlopige contract van Hirsch en Helm komen er tegenkandidaten. Zoals Karlheinz Martin, de regisseur van het bekende gezelschap de ‘Volksbühne’. Ook de befaamde acteurs en regisseurs Emil Rameau en Leopold Jessner zijn bereid de directie op zich te nemen. Het duurt niet lang of ook de gemeenteraadsleden van Berlijn bemoeien zich ermee. Als Hirsch van de commotie hoort, vertrekt hij in maart 1932 naar Berlijn, in een poging de pers op zijn hand te krijgen. 

Hij arriveert in een stad, die in een diepe crisis verkeert. Cultureel, economisch en maatschappelijk. ‘Altijd die politieke onzekerheid, de eeuwige verkiezingen, de vervoersstakingen. De wrijvingen tussen de verschillende partijen, die een artistieke verlamming veroorzaken. Ik voel me daar zelf immuun voor en dat dank ik aan mijn verblijf in Holland. Maar voor de Duitse spelers en voor het publiek is het funest. Het lukt de mensen niet meer om hun zorgen en zenuwen van zich af te zetten. Men kan in de schouwburg niet meer genieten Voordat de toeschouwer zijn dagelijkse doen vergeten heeft, is de voorstelling uit.’

Niet alleen de Duitse, maar ook de Nederlandse kranten doen uitgebreid verslag van deze rel. Een belangrijk element echter wordt in ons land verzwegen. De Nationaal-Socialisten onder leiding van Adolf Hitler zijn nog niet aan de macht, maar hebben wel een flink aantal zetels in de gemeenteraad. Dat de twee joden Hirsch en Helm het Schiller Theater gaan leiden is voor hen onbespreekbaar. Ook een deel van de Duitse pers laat zich in felle antisemitische bewoordingen uit.

Toch lukt het Hirsch en Helm om geldschieters te vinden voor hun plannen en een meerderheid van de politiek en pers van hun plannen te overtuigen. In april wordt officieel bekend gemaakt dat Hirsch en Helm aan het roer staan van het Schiller. Zoals beloofd wisselen ze de operette vanaf 1 september af met diverse serieuze toneelstukken, die een redelijk succes zijn. Het operettegezelschap van beide heren viert ondertussen triomfen in andere Duitse steden en verkast in december weer naar Nederland.

Adolf Hitler

Wat begint als een droom, wordt een loodzware tijd voor Hirsch en Helm. Het duo krijgt vlak na hun benoeming een gelukstelegram van Adolf Hitler, maar daarmee is alles ook gezegd. Vanuit de nazi’s blijft de hetze tegen Hirsch en Helm doorgaan. Terug in Nederland spreekt Hirsch er niet over. Ook de journalisten die hij te woord staan, vragen niet door. ‘Politiek houdt men immers beter buiten de kleedkamer’, zo heet het.

Nu Hirsch vanavond zijn belofte nakomt en zijn gezelschap naar Holland is gevolgd, laat hij een Duitsland achter zich waar de situatie steeds dreigender wordt. Er volgen weldra opnieuw verkiezingen, de zoveelste. En ook de economische crisis trekt diepe sporen door het land. Geen goede tijd om een theater te runnen in Berlijn, zeker niet om het achter te laten. Hirsch heeft de artistieke leiding van het theater tijdelijk overgegeven aan een mede-regisseur en is van plan om tot de zomer vooral in Nederland te blijven, zegt hij ons.

‘Het is fijn om hier weer te zijn. Brok in de keel’, gaat hij verder. Hirsch wijdt vervolgens uit over de plannen die hij voor de toekomst heeft. Er staan mooie operettes op stapel die in Nederland hun wereldpremière gaan beleven, zoals een bewerking van ‘Little Dorrit’ van Charles Dickens. Terugkeren naar Berlijn zal Hirsch echter niet. Op 31 januari nemen de nazi’s na een chaotisch verlopen verkiezingen de macht over in Duitsland. Het Schiller Theater wordt door Hermann Göring tot eigendom van de gemeente verklaard. Er is in het culturele leven van Berlijn geen plek meer voor Joden. 

Daarmee is de droom van Fritz Hirsch voorgoed ten einde. En het gezelschap keert terug naar het oude patroon. De Princesse Schouwburg in Den Haag als de thuisbasis en van daaruit op tournee door de rest van het land. De ‘Fritz Hirsch Operette’ wordt een kweekvijver voor nieuw Nederlands talent, zoals Willy van Hemert, en voor tal van gevluchte Duitse joden, die in het gezelschap worden opgenomen. 

Maar de nazi’s zijn Fritz Hirsch niet vergeten. Op 9 mei 1940 speelt het gezelschap zijn laatste voorstelling. De volgende dag vallen de Duitsers binnen en wordt het gezelschap ontbonden. In juni 1941 wordt Fritz Hirsch opgepakt en hij sterft op afschuwelijke wijze in Mauthausen. Ook zijn vrouw en twee kinderen overleven de oorlog niet. Hugo Helm wordt in 1943 vermoord in Auschwitz-Birkenau. 

Het is gelukkig allemaal nog ver weg, die decemberavond in 1932. Tegenover ons zit een moe, maar vastberaden man. ‘Het Berlijnse toneel is een schip in eeuwige storm. Dat is niet zonder bekoring’, mijmert hij. ‘Het wekt een strijdlust op. Maar hier in Holland is het toneel een schip dat zacht vaart op een stille, zuidelijke zee, naar een mooi en lieflijk tropisch eiland. Om met Kerstmis thuis te zijn hier in Den Haag, dat voel ik als een beloning voor het zwoegen ginder. Een weerzien, waarop ik me lang heb verheugd. Als straks weer het rode doek van de Princesse Schouwburg opengaat en ik zie al die bekende gezichten weer, dat wordt voor mij een heerlijk ogenblik.’

Martha Wagner en Fritz Hirsch. Gesigneerde prent van Hollmann. TheaterSentiment

Bronnen: Collectie TheaterSentiment, Nationaal Archief, interviews met Fritz Hirsch uit krantenarchief Delpher

Start typing and press Enter to search