Het Artiesten Sportfeest

Het is ongewoon druk in Amsterdam als op een warme en zonovergoten zondag 14 juni 1914 de stad uitloopt voor het evenement van het jaar. Overvolle trams rijden richting het Sportpark aan de Amstelveenseweg, waar de tribunes zich geleidelijk vullen. Het Artiesten Sportfeest gaat dadelijk beginnen en dat wil je niet missen.

De ingrediënten: bekende Nederlanders die samen aan sport doen, waarbij humor en kolder de sportieve activiteiten overvleugelen. Inmiddels al heel lang een vertrouwd recept, maar in 1914 nog een noviteit. En wat voor een, wekenlang raakt men er niet over uitgepraat.

Enkele weken eerder, tijdens een drukbezochte algemene ledenvergadering van de Nederlandsche Toneelkunstenaars Vereniging, valt het besluit. Naar buitenlands voorbeeld moet er ook in ons land een groot sportfestijn komen met podiumkunstenaars. Ruim honderd artiesten zeggen prompt hun medewerking toe en ook nog eens 140 musici. De opbrengst is bestemd voor een goed doel: het fonds voor noodlijdende artiesten. Die hebben het in deze tijd zonder sociaal vangnet niet gemakkelijk.

In het persbericht dat naar de kranten gaat, wordt benadrukt dat er niet alleen ‘een amusant gedeelte’ is, maar dat diverse takken van sport ‘op serieuze wijze gedemonstreerd gaan worden’. Ofwel: er gaat echt gesport worden. Henry Engelen, operazanger en regisseur van het Rembrandt Theater, krijgt de taak om alles in goede banen te leiden.

Er wordt vervolgens een marketing campagne uitgerold, waarbij ook de deelnemende artiesten hun mouwen opstropen en gaan helpen. De stad hangt binnen enkele dagen vol met kleurige affiches. En bekende actrices als Julia Cuypers, Greta Lobo-Braakensiek en Fie Pisuisse-Carelsen houden zich bezig met de verkoop van de kaartjes. Voor dat doel krijgen ze op een a-locatie in het centrum een eigen verkooppunt tot hun beschikking, een gemeubileerd kantoor aan het adres Rokin 2a.

Er worden maar liefst 15.000 kaarten verkocht en als de dag is aangebroken, begeven de horden toeschouwers zich in de richting van de Amstelveenseweg. Dat leidt tot flinke chaos, want de trams rijden volgens rustige zondagsdiensten en zijn totaal niet voorbereid op de drukte. Overvolle voertuigen rijden de haltes voorbij zonder te stoppen, tot verbijstering van wachtende reizigers. Zij die een plekje hebben weten te bemachtigen, betalen zelfs dubbel, om maar niet uit te hoeven stappen.

Deelneemsters aan het Artiesten Sportfeest. Titelfoto: De vier paarden van het vierspan van Nero (Henri Brondgeest). Foto’s Bernard Eilers/Stadsarchief Amsterdam

Wat het weer betreft, heeft de organisatie het echter niet beter kunnen treffen. Al vroeg in de ochtend belooft het een schitterende zomerdag te worden en bij het Sportpark het loopt het al vroeg storm op het resterende deel van de kaarten. Ook de programmaboekjes van een kwartje per stuk raken op. Gerenommeerde actrices als Theo Mann-Bouwmeester, Esther de Boer-van Rijk en Mien Erfman-Sasbach zijn een half uur voor aanvang door hun voorraad heen.

Op de open tribunes bakt het publiek in de gloeiende zon, in volle verwachting van wat komen gaat. ‘Ik vermoed dat deze tribunes doornat zijn van de dampen, die de zon uit de mensen perst’, schrijft een verslaggever. Het slechtst hebben de toeschouwers het op de goedkopere staanplaatsen. ‘Onder de fleurig opgedirkte jurken en confectiepakjes zijn de poriën wagenwijd open, de hoofden blinken rood als wijn, de zakdoeken betten ijverig en de eau-de-cologne-fles wordt volop benut.’

Achter de schermen maken de artiesten zich op voor hun sportieve prestaties. Ze geven hier vanmiddag acte de presence tussen de werkzaamheden door. Sommigen komen net van een matinee en de meesten moeten na het sportfestijn ook gewoon weer de planken op.

Het Weerbaarheids Muziekkorps warmt het publiek ondertussen op met vrolijke klanken, maar zodra de klok twee uur heeft geslagen, heft Henry Engelen zijn wandelstok op. Tussen het geroezemoes door klinkt van alle vier de stadiontorens bazuingeschal. Het maant het publiek onmiddellijk tot stilte en alle blikken zijn gericht op de grote ingangspoort.

Het korps begint een opwekkende mars te spelen en De Romeinse keizer Nero verschijnt, verbeeld door acteur Henri Brondgeest, in een zegewagen met vier paarden ervoor rijdt hij over het zandpad dat het groene speelveld omringt. ‘Geen makke lummelige paarden van de soort, die je ’s avonds uit elkaar schroeft om op stal te zetten en ’s morgens weer monteert’, aldus de verslaggever. ‘Nee, echte goeie knollen van de soort die men zich niet voor citroenen verkopen laat.’

Een uitbundige stoet volgt. Nero wordt gevolgd door Poppea (Carolien van Dommelen) en Octavia (Jo Tourniaire). Allen gaan volledig op in hun rol, tot vreugde van het publiek. ‘Romeinse maagden, in los neerhangende gewaden, houden de zegepalmen hoog. Fier schrijden de senatoren en priesters achter de zegekar, terwijl praetorianen in hun schilderachtige krijgsuitrusting de stoet sluiten.’ Als Brondgeest de rijen langsgaat – met de lauwerkrans in zijn zwarte haar, de witte koningsmantel om de schouders en staand in een door vier schimmels getrokken zegekar – golft een uitbundig applaus over de tribunes.

Er wordt wel aardig gespeeld, maar het is vooral heel vermakelijk

Na het Romeinse spektakel, zijn de andere onderdelen aan de beurt. Het geheel heeft meer weg van een revue, dan de beloofde sportieve prestaties. De wielerwedstrijd ontaardt in een klucht, waarbij de deelnemers – gehuld in allerlei bonte uitdossingen – het tegen elkaar opnemen. De valpartijen zijn niet van de lucht en de verliezers worden door de scheidsrechters bruut de baan afgejaagd. Tot diepe vreugde van het uitgelaten publiek.

De aanwezige recensenten nemen alles in zich op en dat leidt tot complimenteuze sfeerverslagen in de dagbladen. Veel waardering is er voor toernooidirecteur Henry Engelen. ‘Met een hoge hoed op het hoofd, een lang grijs jaquet aan en een wandelstok in de hand rent hij als een ordonnans over het veld, dan is hij hier, plotseling is hij daar. Met een kreet weet hij een stoet ruiters stop te zetten, met een gebaar van zijn stok laat hij het orkest plotseling delen van een wals of een ouverture afsteken. En dat alles in die hete junizon.’

Na een optocht, waarbij allerlei bekende acteurs en actrices verkleed zijn als bekende historische figuren, nadert het hoogtepunt van het spektakel: een voetbalwedstrijd. Ook hierbij wordt het publiek bediend met een vrolijke voorstelling. Gedragen door de klanken van het orkest wandelen de twee elftallen het veld op. De witbroeken dragen een smoking met hoge hoed, de zwartbroeken een rokkostuum met hoge hoed. Ze stellen zich op, waarna lakeien de 22 hoeden in ontvangst komen nemen en een bal op een presenteerblad aanbieden. Dat alles gaat gepaard met diepe buigingen en lachsalvo’s vanaf de tribunes.

Henri Brondgeest maakt indruk als keizer Nero. Foto Bernard Eilers/Stadsarchief Amsterdam

Het is aan de grootste onder de acteurs om de aftrap te doen. ‘Daar komt de oude, maar kranige Louis Bouwmeester het veld opstappen. Hij is in rok’, schrijft een journalist. ‘Zijn eikenhout bruine facie steekt aardig af op zijn wit plastron. Zijn hoge kachelpijp glanst als de avondster. De spanning is groot. wanneer hij zich vóór de bal zet en met een van zijn niet jonge, maar verduiveld soliede benen aftrapt.’

De journalist vervolgt zijn verslag met de kolderieke taferelen die zich daarna op het veld afspelen. ‘Daar begint de match, en het is waarlijk om je een aap te lachen. Er wordt wel aardig gespeeld, maar het is vooral héél vermakelijk. Die mensen spelen zo goed toneel, dat je toch ook nog niet kunt eisen, dat ze goed voetbal spelen.’

Na een theatrale bokswedstrijd tussen Louis Davids en Buziau en een estafetteloop, is het aan acteur Henri Brondgeest, Jo Tourniaire en Caro van Dommelen om het evenement af te sluiten. Dit keer als Napoleon, keizerin Marie-Louise en Madame Sans-Gene. Met daarachter een stoet maarschalken en allen te paard. Galopperend over het veld en over tal van hindernissen springend. ‘Het publiek is bij de aanblik van deze woeste ren buiten zichzelf van pret, klapt en stampt en jubelt dat het een lieve lust is.’

Tegen de avond is het feest voorbij en sjokt een lange sliert van toeschouwers langs de Amstelveenseweg op weg naar huis, langs de tientallen auto’s die stapvoets in een file van het Sportpark weg proberen te komen. Het publiek is meer dan tevreden. Met 18.000 bezoekers in totaal, de genodigden inbegrepen, kan ook de organisatie terugkijken op een geslaagde dag. Dit is zeker voor herhaling vatbaar, klinkt het.

Het hele tafereel van het vertrekkende publiek, ademt met de kennis van nu een bijzondere symboliek uit. De onschuld en onbezorgdheid van het vrolijke spektakel, het voldane geroezemoes die boven de wandelaars uitstijgt en de zon aan de ongeschonden blauwe hemel, die wegzakt achter de gevels van de huizen. Precies twee weken voor de moordaanslag in Sarajevo, die het startschot zal zijn van de Eerste Wereldoorlog en het begin inluidt van een nieuwe tijd. Het is die zondagmiddag nog even heel ver weg.

Bronnen: Stadsarchief Amsterdam/Delpher/Collectie TheaterSentiment

Start typing and press Enter to search